Naar binnen keren
De sessie begon met een open uitwisseling van gedachten, waarbij alle deelnemers een duit in het zakje deden. Dorpelingen kunnen al snel het idee hebben dat hun dorp wordt aangetast door ontwikkelingen die niet passen. Wie aan de slag wil met religieus erfgoed, doet dat dus het best rustig, niet al te radicaal en in overleg, blijkt al uit een eerste brainstorm met de aanwezige professionals. ‘De omgeving is heel belangrijk, je moet beginnen om met hen te praten’, zegt Dirk van Alphen, voormalig beleidsmedewerker erfgoed van de gemeente Tilburg.
Van Alphen heeft nog twee andere motto’s. Een daarvan: programma volgt monument. ‘Als je serieus bezig bent met erfgoed, moet je durven beperken. Dat betekent dat je niet alles moet volproppen met appartementen enkel en alleen omdat het dan betaalbaar is. Een kerk is in wezen een hal en ik wil ervoor pleiten om een kerk zoveel mogelijk een hal te laten zijn’, zegt hij.
Zo’n grote ruimte, een groot ‘niks’ boven de hoofden van bezoekers, kan een waardevolle kwaliteit zijn. Een andere kwaliteit van religieuze complexen: de akoestiek, die vaak buitengewoon goed is voor koren en muziek. En het zijn bij uitstek plekken voor rust en contemplatie. ‘Het zijn plekken waar je naar binnen kunt keren en waar je je beschut kunt voelen. Door er gewoon te zijn krijgen mijn kinderen de normen en waarden mee die wij belangrijk vinden’, vertelt beleidsadviseur landschap en erfgoed Tony Oomes van de gemeente Hilvarenbeek. ‘We begrijpen de spanningen rondom het instituut, maar hechten waarde aan de bijhorende (landschaps)architectuur.’
Beleidsmedewerker Erfgoed & Ruimte bij de provincie Noord-Brabant Annélien van Kuilenburg merkt weer dat ze het juist lastig vindt de waarde van kerkgebouwen aan haar kinderen over te brengen. ‘Mijn kinderen komen niet in de kerk, zijn niet gedoopt, ze doen niet mee aan diensten. Ik heb zelf nog wel wat referentie en vond die kerkelijke gemeenschap ook ergens wel fijn, met haar onuitgesproken waarden en normen, maar voor mijn kinderen is een kerk niet meer dan een mooi gebouw in een dorp of stad. Ze vinden het geweldig als we in de Sint Jan in Den Bosch zijn, maar dat moet ik er dan wel uittrekken.’
Architectuurhistoricus Joost Op ’t Hoog denkt dat het voortdurend een afweging is: wat wil je per se overeind houden en waar kan een nieuwe tijdlaag een kans krijgen? ‘Vroeger zeiden ze dat alles wat je bij herbestemmingen deed reversibel moest zijn: je moest het kunnen terugdraaien. Dat is nog bij geen enkele kerk gebeurd’, zegt hij. ‘Je moet die nieuwe tijdlaag de kans geven om zichzelf te bewijzen. Die nieuwe laag kan volwaardig bestaan naast die oude.’