Verslag

Rens van de Plas

2025.3

BOUWSTOF

Op 5 november vond een nieuwe editie van talkshow Bouwstof plaats. In deze editie gaat het onder meer over hoe we dorpen leefbaar kunnen houden, wat de overheid aan bewoners kan overlaten én over de nieuwe plannen voor de Koepelhal en de Wagenmakerij.

De eerste gast die aanschuift is Wessel Griffioen, manager vastgoed en nieuwbouw van het ETZ. Hij heeft bij vier ziekenhuizen gewerkt en hield zich bezig met de gevolgen van organisatorische veranderingen op het vastgoed van de ziekenhuizen. ‘De diversiteit aan professionals die binnen ziekenhuizen werkt maakt het complex en dynamisch, maar ook spannend om tot goede oplossingen te komen’, zegt Griffioen. ‘Onze zorgprofessionals hebben hoge eisen en standaarden.’

Op het terrein van ETZ verandert het een en ander. Het ziekenhuis had de behoefte om de acute en de klinische zorg, de ‘bedden’, op één plek te concentreren. ‘Tegelijkertijd zaten we met een gebouw dat veertig jaar oud is en gerenoveerd moet worden of waarbij je aan vervangende nieuwbouw moet denken. We hebben daarom een masterplan en een gebiedsontwikkelingsplan ontwikkeld en op basis daarvan een eerste plek gedefinieerd waar we nu aan het bouwen zijn. We zijn ook gestart met een tweede fase: die moet in 2031 klaar zijn.’

Het team van Griffioen kan de gebouwen flexibel inrichten op basis van de vraag uit de sector. ‘We hoeven nu niet over alles te beslissen. Als de beddennorm in de toekomst minder wordt, kunnen we zeggen dat het beddenplan iets minder groot wordt. We zien dat in de poliklinieken veel wordt gedigitaliseerd: wellicht betekent dat dat de gebouwen voor de poli’s niet de omvang hoeven te krijgen die ze nu hebben. Dat vinden wij wel het voordeel van zo’n ontwerp gefaseerd aanpakken.’ Het ETZ volgt dan ook bewust de ontwikkelingen als het gaat om bijvoorbeeld de zorgvoorzieningen voor chronisch zieken, omdat ze nog willen zien hoe zich dat gaat ontwikkelen. Wie weet kan die zorg in de toekomst beter thuis plaatsvinden.

Binnen de ziekenhuismuren wordt dan weer ingezet op een slimme logistiek, legt Griffioen uit. ‘Dat zit ’m in meerdere facetten. Er komt één lange as waar de andere gebouwen aan verbonden gaan worden. De begane grond richten we in voor publiek en de eerste verdieping voor vervoer en staf. Daarnaast zijn we vooruitstrevend bezig in het acuut centrum, waar we interventiekamers en operatiekamers op dezelfde verdieping hebben.’ Dat versterkt de samenwerking tussen artsen van verschillende disciplines en zorgt er tevens voor dat ondersteunend personeel sneller kan schakelen.

Ook als het om de indeling van de ruimtes gaat probeert het ziekenhuis adaptief te zijn. ‘Sinds de coronacrisis zijn architecten echt gaan kijken hoe ze kunnen bouwen voor toekomstige pandemieën. In ons ontwerp kunnen we de intensive care zodanig isoleren en in compartimenten verdelen zodat we de ‘vuile’ en de ‘schone’ stromen kunnen scheiden. In de ruimtes naast bestaande ic-kamers zijn extra zuurstofleidingen aangebracht zodat we daar eventueel extra bedden kunnen bijplaatsen.’

Patiënten die moeten herstellen, doen dat overigens op eenpersoonskamers: daar herstellen ze veel sneller dan op kamers met andere patiënten erbij, is de ervaring van het ETZ. Het ziekenhuis probeert de sociale contacten nog wel te stimuleren door patiënten zoveel mogelijk uit bed te halen of bijvoorbeeld in een andere kamer te laten eten. Met slimme camera’s wordt geobserveerd wat er zoal in een kamer gebeurt en of er bijvoorbeeld iemand uit bed gevallen is.

Met een paar slimme trucs probeert het ziekenhuis voor een betere groenbeleving te zorgen én zo duurzaam mogelijke gebouwen af te leveren. ‘We hebben veel glas gebruikt waardoor we die verbinding naar buiten echt proberen te maken. Een deel van de patiëntenkamers kijkt uit op het Leijpark, dat is een hele mooie blik op het groen.’ Duurzaamheid is voor een ziekenhuis vaak wat lastiger, zegt Griffioen, maar ze hebben gedaan wat ze kunnen: door een driedimensionale gevel die op de zon is afgesteld nemen de warmtelasten met zo’n acht procent af en er wordt warmte-koude-opslag toegepast. ‘Zonnepanelen hebben we nog niet gebruikt, maar we hebben nog een dak vrij waar dat zou kunnen.’

Technisch flexibel zijn, daar draait het volgens de manager vastgoed allemaal om. Andere ziekenhuizen zouden dat voorop moeten stellen bij het verbouwen of bij nieuwbouw. ‘De zorg is onzeker. Je moet gebouwen in de toekomst een andere bestemming kunnen geven. Niet alleen kijken naar de architectuur, de omgeving en de logistieke routes, maar dus ook naar de technologie binnen in het gebouw en hoe makkelijk die aan te passen is.’

Belabox

In Tourtje Tilburg brengt Teun een bezoek aan de Belabox, een duurzaam multifunctioneel gebouw voor sport en beweging in Tilburg-Noord ontworpen door RoosRos architecten. Voor de isolatie is gebruik gemaakt van sorghum, een soort graan dat nog niet officieel gecertificeerd is maar waar de gemeente Tilburg een uitzondering voor heeft gemaakt. Avans onderzoekt nu hoe goed het materiaal werkt. In de Belabox is ook van alles hergebruikt: de stalen constructie zit er nog in en het plafond van de oude gymzaal is als akoestische oplossing teruggekomen in de achterwand.

Bouwen tussen kerk en kroeg

Na het bezoek van Teun schuift Daan Zandbelt aan, architect, stedenbouwkundige en partner bij De Zwarte Hond. Dat bureau werkte aan een dorpenstrategie voor Brabant. Geen overbodige luxe: Brabant kent bijna 300 dorpen en veel opgaven in de dorpen zijn identiek. ‘Er zijn in de dorpen acht hoofdopgaven. De woningvoorraad is bijvoorbeeld eenzijdig, werkgevers in dorpen vinden het moeilijk om personeel te vinden, de bereikbaarheid staat onder druk, de sociale veiligheid valt soms tegen.’

Voor elk van de vier regio’s in Brabant koos het bureau twee fictieve dorpen uit die representatief zijn voor alle dorpen in de provincie. De Zwarte Hond ging per opgave op zoek naar voorbeelden waar dorpen gebaat bij zouden kunnen zijn. Voor het mobiliteitsprobleem zou een dorpse deelauto bijvoorbeeld een oplossing zijn. ‘Zo hebben we zo’n 250 voorbeelden verzameld. Het is verstandig dat overheden het gesprek aangaan over wat de hoofdkwestie in het dorp is: is dat de leegstaande supermarkt of het teruglopende verenigingsleven? Aan de hand van die hoofdkwestie kun je gericht aan oplossingen werken.’ En dat is ook nodig: de afgelopen tijd heeft de focus te sterk op steden gelegen, waardoor faciliteiten zoals bankkantoren of huisartsenpraktijken uit dorpen verdwenen.

Oplossingen waar De Zwarte Hond aan denkt is bijvoorbeeld het bouwen van woningen tussen kerk en café. Veel dorpen denken aan uitbreiden, maar door kleinere woningen in het hart te bouwen kun je mensen laten verhuizen zodat ze dichtbij de voorzieningen zitten. Zo bouw je voor de dorpelingen zelf. ‘Daardoor kunnen de voorzieningen in stand blijven door ze bijvoorbeeld onder één dak te brengen. Het dorpshart kun je vervolgens groener en autoluwer maken.’ Misschien is dat een veel nuttiger strategie dan een straatje erbij aan de rand van het dorp, willen de ontwerpers maar zeggen. Dat voorkomt ook dat je te veel bouwt voor mensen die niet uit het dorp zelf komen en er geen binding mee hebben. Vijf procent woningen erbij helpt al om de voorzieningen op peil te houden.

De woningbouw is de enige opgave waarin de maatschappij en de markt bereid zijn mee te investeren. Daar moet je andere maatschappelijke opgaven in dorpen op mee laten surfen, is het advies van Zandbelt. ‘Los nooit één probleem tegelijk op, maar drie.’ Overheden moeten bovenal mét het dorp praten in plaats van óver het dorp. Gemeenten moeten niet van bovenaf bedenken wat dorpen nodig hebben, maar inzetten op een met het dorp op maat gemaakt verhaal. In het programma Nieuwe Verbindingen van CAST wordt er verder ingegaan op de dorpenstrategie van de provincie.

Wie weet wat wij willen?

Er is een nieuw agenda van het College van Rijksadviseurs voor de periode 2025-2029 uitgekomen. De titel: Gedeelde Grond. Hoe gaan we Nederland toekomstbestendig en weerbaar houden? Thijs van Spaandonk, Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving, geeft op het podium tekst en uitleg over die agenda. Van Spaandonk is al ruim twintig jaar bezig met ontwerpend onderzoek en het nadenken over de ruimtelijke ordening in relatie tot grotere opgaven. ‘Het College voor Rijksadviseurs is daar misschien wel de meest impactvolle positie voor.’

Hoewel we denken dat er wellicht veel schaarste is, constateert het College juist dat er ook veel in overvloed is. ‘Er is superveel ruimte in Nederland, alleen benutten we die niet handig. We hebben genoeg woonruimte, maar te weinig woningen. Hetzelfde geldt voor energie: op sommige momenten hebben we een teveel aan energie. Dat betekent dat we die energie niet goed benutten op het moment dat die er is. De overvloed aan capaciteit in de gemeenschap, aan kennis en expertise benutten we daarnaast te weinig’, zegt Van Spaandonk. ‘Meer naar de energie kijken dan naar de problemen: daar zit het hoopvolle verhaal.’

Hij merkt dat partijen vaak veel gemeenschappelijke doelen hebben. ‘In Amsterdam-West wordt een plein opnieuw ingericht en de gemeente dacht dat daar veel tegengestelde belangen zaten. We zijn in gesprek gegaan met bewonersorganisaties, ondernemers en de winkeliersvereniging en dan blijkt dat iedereen het best wel met elkaar eens is, ondanks dat de behoeften en belangen soms uiteen lopen. Natuurlijk heb je wat strijd te leveren: het moet soms schuren. Ook richting de Rijksoverheid vertellen wij als College niet altijd dingen waar ze op zitten te wachten. Maar het is belangrijk een gemeenschappelijke basis te blijven zoeken.’ De belangenafweging wordt te vaak binnenskamers gedaan, denkt Van Spaandonk.

De gemeenschappen hebben altijd gelijk, leest de agenda. Die zin heeft Van Spaandonk er hoogstpersoonlijk in gezet. ‘In een stad als Baltimore, lang een van de meest gesegregeerde steden ter wereld, is de overheid voor veel gemeenschappen lang afwezig geweest. Zwarte gemeenschappen moesten hun zaken zelf regelen en konden niet vertrouwen op een overheid. Nu zit daar een overheid die zegt: community knows what it wants. Stedenbouwkundigen moeten de behoeftes van de gemeenschap faciliteren en vervullen en gemeenschappen hebben daar zelf ook een rol in. De verzorgingsstaat is misschien te lang een ontzorgingsstaat geweest.’

Het is tijd dat buurten en wijken weer weerbaar worden, denkt van Spaandonk. Vaak zijn de mensen die zelf het minste hebben in staat om met meeste met elkaar te delen. ‘Wijken en buurten kunnen een vangnet zijn. Je hebt elkaar nodig. In de Vogelaarwijken in de middelgrote steden merk je dat de kracht van de gemeenschap supersterk is. De overheid moet naar die bestaande netwerken kijken en die versterken. We zijn heel goed om iets nieuws te bedenken, maar misschien moeten we gaan kijken hoe we bestaande initiatieven zelfredzaam kunnen maken.’

En de Rijksoverheid mag zichzelf letterlijk meer openstellen. ‘Het gebouw van het ministerie van Financiën in Den Haag waar we in zitten heeft een hele mooie binnenplaats die volgens het ontwerp makkelijk te betreden was. Rond die binnenplaats zit een geschilderd hekwerk dat dicht kan als de binnenplaats afgesloten moet worden. Sinds een paar jaar is het permanent dicht en is het ministerie letterlijk afgesloten van de straat. Dat draagt niet bij aan het idee van een overheid die benaderbaar of toegankelijk is.’ Idealiter gaat de overheid werk maken van publieke gebouwen. ‘Als je als burger meer toegang krijgt tot die gebouwen, dan zie je ook dat de overheid van jou is.’

Wonen op een festivalterrein

Over toegankelijkheid van gebouwen gesproken: met een nieuw ontwerp van NUDUS, Bedaux de Brouwer en Stramien moet het gebied rond de Koepelhal en Wagenmakerij een publieke plek worden. Hun plan werd geselecteerd na een prijsvraag van de gemeente. De kern van de opgave: wonen op een festivalterrein vormgeven. ‘Veel Tilburgers kennen de Koepelhal al vanwege de evenementen die daar worden georganiseerd. Die willen we daar houden, maar professioneler inrichten met basisvoorzieningen zoals kluisjes en sanitair’, zegt architect Tim Brans van NUDUS. ‘Naast de Koepelhal ligt de Wagenmakerij, die bij veel minder Tilburgers bekend is omdat die al een tijdlang is afgesloten. Die hal is waanzinnig en een uitgelezen kans om die zichtbaarder te maken.’

Er zijn uitdagingen te over, legt zijn collega Sjim van Beijsterveldt van Bedaux de Brouwer uit. ‘We willen zo min mogelijk ingrepen doen in een gebied dat toch veel ingrepen nodig heeft. Van de rolwagenbaan gaan we een publieke verbinding maken tussen de Locomotiefboulevard en de Burgemeester Brokxlaan. Het wordt een openbare straat: we halen daar het dak vanaf zodat het kan vergroenen en verlichten. Die straat wordt de verbinding tussen het festivalterrein en de nieuwe woningen die in het gebied verrijzen. De rest van de Wagenmakerij kun je zien als een overdekt plein.’

Het woningprogramma wil het ontwerpteam zoveel mogelijk naar de periferie van het terrein sturen om de kwaliteiten van de Wagenmakerij zoveel mogelijk te ontzien. ‘Dat woud aan kolommen was erg indrukwekkend om te zien. We zagen dat daar de leegte vooral de ruimte maakten en dat we daar zoveel mogelijk van af wilden blijven. De plekken waar vroeger de timmerwerk- en schrijnwerkplaats zaten waren al afgescheiden van de rest van het complex. Daar laten we de woontorens in landen, zodat de bestaande ruimtelijke kwaliteit ook zo min mogelijk wordt aangetast.’

In het gebied brengen de ontwerpers de spoorgeschiedenis terug door met wagonnetjes te werken, die elk een nuttige functie krijgen. ‘Dat heeft de jury ook wel overtuigd: het is een goede manier om programma toe te voegen op een plek waar je eigenlijk niets wilt toevoegen. We hebben een heel integraal plan gemaakt: dat we er met drie bureaus aan werken heeft het voordeel dat je meerdere dingen tegelijkertijd kan oppakken’, zegt Tim Brans. ‘Dat we de Belgische collega’s van Stramien erbij hebben betrokken zorgt voor de internationale allure waar ze naar op zoek waren’, lacht hij. ‘Het is leuk dat we niet alleen samenwerken, maar elkaar ook kunnen uitdagen.’

Traditiegetrouw krijgt Martijn Neggers op deze avond het laatste woord. Op woensdag 3 december start CAST met het vervolg op de programmalijn Nieuwe Verbindingen genaamd Nieuwe Verbindingen II. Op donderdag 11 december is er een nieuwe editie van CAST&co.