Uitgebreid verslag

workshops

Uitgebreid verslag

Startbijeenkomst inzake de Tilburgse linten, d.d. 30 november 2006

georganiseerd door het CAST, Centrum voor Stedenbouw en Architectuur

in cultureel centrum De Poorten te Tilburg

 

Genodigden zijn: architecten, stedenbouwers, studenten Fontys, projectontwikkelaars en vertegenwoordigers uit maatschappelijke geledingen.
De bijeenkomst wordt geleid door prof. Ir. Jan Westra, architect en decaan van de afdeling bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven.
Sprekers zijn voorts:
- Sjoerd Cusveller, stedenbouwkundige o.m. afgestudeerd op de karakteristiek van de Tilburgse linten.
- Louis Houët, stedenbouwkundige en programmamanager stedelijke inrichting gemeente Tilburg
- Johan Dunnewijk, directeur-bestuurder WonenBrebrug
- Paul van der Grinten, architect en voorzitter van de Tilburgse welstandscommissie

Jan Westra:

“Linten en mazen zijn niet los van elkaar te zien, is een dubbelsysteem.”
“Linten zijn continu, mazen zijn tweedimensionaal, discontinu.”
“De mazen van het netwerk zijn vooral het agrarische gebied, met name aan de noordkant van het spoor.”
“Bepaalde straten zijn in schoonheid gestorven (bijvoorbeeld de Hasseltstraat).”
“Continuïteit, relatie met het achterland en programmatische diversiteit zijn belangrijker dan het architectonisch beeld.”

 


Sjoerd Cusveller:

Stellingen
Linten van Tilburg

1. De linten van Tilburg zijn de identiteitsdragers van de (Oude) stad
2. De linten van Tilburg zijn ankerplaatsen van geschiedenis en gebeurtenissen, van herinnering en verwachting
3. De linten van Tilburg bieden ruimte aan een levende geschiedenis
4. De betekenis van de Linten van Tilburg is de waarde die gebruikers er aan hechten
5. Continuïteit is belangrijker dan architectonisch beeld
6. Relatie met achterland is belangrijker dan architectonisch beeld
7. Programmatische diversiteit is belangrijker dan architectonisch beeld

 

 

Louis Houët:

“De draden en mazen vormen het skelet- en vaatstelsel.”

CAST Lintendiscussie
30 november 2006
De Poorten
Louis Houët


1. Sedert mijn aantreden in Tilburg in 1972 heeft het typisch Tilburgse lintensysteem mij voortdurend beziggehouden. Van oorsprong skelet en vaatstelsel tegelijk van geheel Tilburg is het anno 2006 nog steeds een fenomeen - zij het nu op stadsdeelschaal - dat volstrekt uniek is in de Nederlandse stedenbouw. De identiteit van de Oude Stad wordt er door bepaald en de opgave is om dat voor de toekomst te waarborgen.
2. Tilburg is wel veel groter geworden in de laatste vijftig jaar. De verschillende stadsuitbreidingen hebben de morfologische opbouw van Tilburg sterk veranderd. Een stelsel van moderne autonome infrastructuurlijnen is bepalend geworden voor de identiteit van de stad als geheel. Ook de centrumontwikkeling met cityring en oostwestboulevard heeft de betekenis van het lintensysteem verzwakt. Maar op het niveau van de Oude Stad, een gebied van 1000 ha en 70.000 inwoners is de betekenis nog steeds relevant, zowel functioneel als ruimtelijk.
3. In het gemeentelijke ruimtelijke beleid heeft het lintenstelsel voortdurend speciale aandacht gehad, omdat de sociale, economische, culturele en ruimtelijke waarde ervan werd en wordt onderkend. Maar ook de markt ziet de potenties van de linten. Het verleggen van de aandacht van uitleglocaties naar binnenstedelijke vernieuwing is de laatste jaren aan de linten goed zichtbaar geworden. Een groot aantal kleinschalige verdichtingsprojectjes begint hier en daar het straatbeeld te veranderen. Met meer en minder succes, afhankelijk van wie je daarom om een oordeel vraagt. Om de regie op de zichzelf vernieuwende stad, daar gaat het in de huidige discussie vooral over. Regie op volkshuisvestelijk, stedenbouwkundig en welstandelijk gebied met in de zijlijn cultuurhistorie en verkeers- en milieuaspecten.
4. Waar hebben we het over als we spreken over het lintenstelsel? Grosso modo bestaat alle stedenbouwkundige structuur en bebouwing van voor ongeveer 1910 (toen de Woningwet van 1902 echt begon uit te werken) uit lintbebouwing: individuele of vrijwel individuele panden langs destijds bestaande (land)wegen en paden. Maar Tilburg was omstreeks 1910 al uitgebreider dan het stelsel van herdgangen en driehoekige pleinen (plaatsen) dat wij nu als de lintbebouwde hoofdstructuur, het eigenlijke lintenstelsel, aanduiden. Vanaf het midden van de 19e eeuw bouwde men reeds aan achterpaden en tussenpaden, omdat aan de herdgangen geen ruimte meer was. Meer naar het eind van de 19e eeuw werden zelfs stratenplannen ontworpen (Nijveroord, Besterd, Heuvelse Akker), waarlangs in lintbebouwing kon worden gebouwd. Deze gebieden worden wel aangeduid als secundaire lintbebouwing en die hebben we niet op het oog bij de huidige discussie. Neen, het gaat in principe om de oude hoofdstraten met hier en daar een aanpassing die in de loop der jaren met het oorspronkelijke stelsel is vergroeid zoals de Besterdring. U ziet ze hier op de dia.
5. De oude straten in het centrum, Heuvelstraat, Nieuwlandstraat, Noordstraat met de latere aanvullingen van Stationsstraat en Willem II straat behoren weliswaar tot deze lintbebouwde hoofdstructuur, maar blijven om redenen van de bijzondere centrumpositie en van het naderende beschermd stadsgezicht Oude Stadskern in deze CAST-discussie buiten beschouwing.
6. Een specifieke plaats binnen de dan overblijvende linten nemen ook nog de beschermde stadsgezichten Goirkestraat, Wilhelminapark en Heuvel/St.Josephstraat in (de Heuvel valt straks overigens in het beschermd stadsgezicht Oude Stadskern).
7. Vanaf het midden van de jaren zeventig wordt in het Structuurplan Oude Stad met maatregelen van herstel en behoud inhoud gegeven aan het belang van de linten. In de periode daarvoor was het de ambitie van het gemeentebestuur om langzaam maar zeker - en dan vooral met het oog op verkeer en bereikbaarheid - de linten te verbreden en te reconstrueren tot moderne verkeerswegen met nieuwe bebouwing. Het structuurplan Oude Stad vormde dus een keerpunt. Uit die tijd stamde ook het plan om de linten een eigen inrichting te geven: asfalt wegverharding en klinker trottoirverharding en overal bomen, zoals ook op oude tekeningen te zien was. Dat laatste bleek overigens bijna nergens te kunnen. De bovengrondse ruimtebehoefte van verkeer en parkeren en de ondergrondse leidingeninfrastructuur stonden op de meeste plaatsen boombeplanting in de weg. In veel straten vigeerden nog zogenaamde rooilijnbesluiten met het doel de straten in een geleidelijk proces te verbreden. In de Hoefstraat kun je dat bijvoorbeeld nog duidelijk zien. Maar daar zie je ook dat dat een heilloos instrument is. Het structuurplan sprak uit om het oorspronkelijke straatprofiel te herstellen. Waar zich ruimtelijke initiatieven voordeden, is dat inderdaad steeds gebeurd. Voor de linten is verder van belang vanaf die tijd dat de reconstructie van fabrieksterreinen tot woongebied zich af moest spelen achter de linten: grote ruimtelijke doorbraken daarvoor in de linten werden niet beoogd. Op deze wijze bleef het sfeercontrast tussen de levendige linten en de rustige woonbuurten gehandhaafd.
8. Grote delen van de linten vielen lange tijd onder de vigeur van de bouwverordening. Slechts weinige hebben in de loop der jaren eigen bestemmingsplannen gekregen. Dat bouwverordeningsregime hield in dat in de bouwhoogte de straatbreedte + 1 meter mag worden gebouwd met een maximum van 15m en in de diepte een kwart van de bouwblokmaat ook met een maximum van 15m. Het uitnutten van die mogelijkheden bleef merkwaardigerwijs beperkt. De economische betekenis van vastgoed in de oude stad werd toen - met de nadruk op uitleggebieden - nauwelijks onderkend. Enkele voorbeelden zijn er wel: Tivolistraat, Gasthuisring, Hoefstraat en Julianapark, bouwinitiatieven van eind jaren 70 die de volle vijf lagen die 15m hoogte mogelijk maakt, gebruiken. Hier en daar zijn ook initiatieven van vierlaagse bebouwing.
9. In de jaren 90 wordt het gemis aan actuele bestemmingsplannen evident. Daartoe wordt een planning voor bestemmingsplannen voor het gehele gemeentelijke grondgebied gemaakt en een zogenaamde plansystematiek ontwikkeld: een generieke stedenbouwkundige regeling die op alle plaatsen toepasbaar is. Daaraan ligt een stedenbouwkundige visie ten grondslag gebaseerd op de toenmalige beleidsdocumenten en gebaseerd op een principieel morfologisch onderscheid tussen Oude en Nieuwe Stad. De nieuwe stad kenmerkt zich door ruime en groene allees. Voor een herkenbare zonering binnen de Oude Stad werd de lintenstructuur als uitgangspunt genomen. Deze moest skelet en vaatstelsel van de Oude Stad blijven. Het bouwvoorschriftenregime van de bouwverordening diende daarvoor als uitgangspunt: 15m hoog en 15m diep. In de overige gebieden werd uitgegaan van 10m bouwhoogte als maximum standaard voor eengezinshuizen en uiteindelijk een bouwdiepte van 12m voor meerlaagse bebouwing. Voor het centrumgebied met zijn hogere bebouwingsdichtheid werd een specifieke regeling voorzien.
10. Deze generieke regeling is bijna 10 jaar lang de basis geweest voor het vrijstellingenbeleid op basis van art 19 WRO. Enkele jaren geleden zijn naar aanleiding van concrete resultaten bijstellingen ingevoerd die vooral kwalitatief van aard zijn. Het gaat dan om het geheel ondergronds parkeren (om binnentuinen vrij te kunnen houden) en om het inbouwen van niet-woonfuncties op de begane grond vanwege de levendigheid op de linten.
11. In 2004 is welstandsbeleid geformuleerd. Daarin worden ook specifieke toetsingcriteria vastgelegd ten aanzien van de lintbebouwde hoofdstructuur. Daarnaast zijn er nog een negental ruimtetypen van specifieke welstandscriteria voorzien. In deze criteria is ook weer geprobeerd om de zonering van de Oude Stad (linten versus achtergebieden) duidelijker zichtbaar te maken: individualiteit tegenover complexgewijze samenhang, verticaliteit tegenover horizontaliteit. De planologische ruimte om hoger te bouwen levert flinke hoogtesprongen en wachtende gevels op. Hiervoor worden middelen als materialisering, terugligging, verspringingen en trompe l'oeil schilderingen voorgesteld.
12. In 2005 is geconstateerd dat de voorkomende hoogtesprongen wel erge contrasten oproepen. De planologische regelingen zijn hierop aangepast middels overgangsstroken langs de naastgelegen bebouwing, waarbij het hoogteverschil in de gevellijn niet meer dan 6m mag bedragen. Iets soortgelijks is in de diepterichting gebeurd.
13. In diezelfde periode wordt mede in het kader van een ruimtelijke visie voor Oud Noord een aantal andere problemen gesignaleerd. Deze zijn van volkshuisvestelijke aard, hebben te maken met verkeer en gaan over de milieukundige consequenties van de stedelijke verdichting die steeds aperter zichtbaar wordt.
14. In het volkshuisvestingsbeleid wordt geconstateerd dat het aantal appartementen dat in Tilburg in voorbereiding dan wel productie is, de vraag verre overstijgt. Verkeerskundige problematiek leidt tot de wens om meer hiërarchie in het in aanleg diffuse lintensysteem te brengen (het voert te ver, maar oorzaak vormen de bereikbaarheid van het centrum en optimaal benutten van het ringbanenstelsel vanuit de strategie van binnen naar buiten). Ook de parkeerproblemen in Oud Noord speelt een rol. Milieukundig gaat het om luchtkwaliteit en geluidhinder.
15. Dit alles leidt tot een keuzevoorstel in eersteordelinten en tweedeordelinten. Hierbij hebben de eersteordelinten een belangrijke verkeersfunctie en laten ook meer intensivering van bobouwing toe. De 15m hoogte wordt hier gehandhaafd (met overgangen naar lagere buurpanden). In de tweedeordelinten is de verkeersfunctie teruggebracht en parallel daaraan ook de bouwhoogte. Deze wordt maximaal 11m waarbij wordt uitgegaan vaneen hogere beganegrondlaag  t.b.v. niet-woonfuncties. Inmiddels is deze onderverdeling in linten van eerste en tweede orde in de gemeentelijke bouwverordening verwerkt. Allemaal vooruitlopend op de meer principiële lintendiscussie en om te voorkomen dat onomkeerbare dingen gebeuren.
16. In welstandstermen is vooral de constatering dat de projecten steeds grootschaliger worden in de breedte een discussiepunt. De ziel van lintbebouwing wordt daarmee uitgehold en de in het welstandsbeleid voorgeschreven parcellering levert niet meer dan een cosmetische oplossing.
17. Tot zover de geschiedenis en de stand van zaken. Alles bij mekaar genoeg stof tot discussie. Wat betekent dat voor dit CAST-evenement. Ik wil de volgende uitgangspunten formuleren:
- Ook anno 2006 vormen de Tilburgse linten nog de dragende structuur van de Oude Stad, zowel functioneel als ruimtelijk;
- De Tilburgse lintenstructuur is uniek in Nederland en dient met alle middelen te worden gerespecteerd;
- Deze cultuurhistorisch belangrijke structuur moet in functioneren en verschijningsvorm contrasteren met de verschillende tussengebieden;
- Voor het waarborgen van deze contrasten kunnen stedenbouwkundige regelgeving en welstandscriteria worden ingezet;
- De huidige instrumenten op deze gebieden zijn gegeven de volkshuisvestings-, verkeers- en milieuaspecten en de geboekte resultaten niet meer / nog steeds valide;
- Essentieel voor lintbebouwing is de eigen vernieuwingskracht.
18. Daarbij horen dan de volgende vragen voor de workshops.
- Worden deze stellingen gedeeld?
- In hoeverre biedt een verdere hiërarchie een oplossing?
- Welke stedenbouwkundige instrumenten zouden voorts kunnen worden ingezet?
- Welke architectonische instrumenten, vertaald naar stedenbouwkundige en welstandelijke termen zouden voorts kunnen worden ingezet?    

 

 

Johan Dunnewijk

“Het debat is hard nodig om richting te geven. Laissez faire, laissez passer lijkt het beleid te zijn rond de linten.”
“Het bezit van de corporaties ligt bijna niet aan de linten en ook niet aan de second linten. Dus, het materiële belang van corporaties bij de linten is beperkt. Dat heeft te maken met de hoge verwervingskosten, maar ook met doelstellingen als rustig woongenot, bereikbaarheid en voldoende parkeerruimte voor de bewoners.”
“In de zin van herstructurering van de wijken worden de linten wel belangrijk voor de corporaties, omdat ze deel uitmaken van het ontsluitingspatroon en de plek waar de voorzieningen liggen.”
“Het beleid ten aanzien van de historische linten is erg behoudzuchtig”.
“Het blijkt dat alleen architecten en stedenbouwkundigen zich mengen in deze discussie. Bewoners en ondernemers ontbreken, ook nu weer.”
“Een visie van het stadsbestuur ontbreekt.”
Hij vraagt meer aandacht voor kleinschalige winkelvoorzieningen ten behoeve van dagelijkse onderhoud, eventueel stimuleren met behulp van stadssubsidies. Ook is er toenemende behoefte aan medische en paramedische voorzieningen. De Stadsontwikkelmaatschappij in
oprichting moet daar echt een beweging in brengen, is zijn devies.


Inleiding ‘workshops linten’ CAST 30-11-2006

Dames en heren, ook van mijn kant goedenavond. Ik zal, ik zeg dat maar meteen, de mij toebemeten 20 minuten spreektijd bij lange na niet nodig hebben. Tussen zoveel gespecialiseerde deskundigen verwacht u dat vast ook niet van een eenvoudige volkshuisvester.

Dank natuurlijk voor de uitnodiging om vanavond ook vanuit de hoek van dat mooie metier – de volkshuisvesting dus - een paar dingen aan te roeren die mogelijk relevant zijn voor het ‘lintendebat’ en de daarop aansluitende workshops. Of ik daar in slaag laat ik overigens graag aan u over.

Ik complimenteer het CAST en de met haar samenwerkende partijen welgemeend voor het starten van een debat over deze thematiek.
Naar mijn idee is het namelijk hard nodig richting te geven: het laissez faire – laissez aller beginsel dat met betrekking tot de linten lijkt te worden gevolgd, baart ook mij zorgen. Maar dat laatste dan vooral vanuit mijn betrokkenheid bij de stad en de gebouwde omgeving, en minder vanuit ons directe belang als woningcorporatie.

Ik zal dat verduidelijken.

WonenBreburg beschikt in Tilburg over een kleine 20.000 woningen. Het aantal woningen dat wij aan de linten bezitten is marginaal. Voor mijn collega’s van TBV Wonen en TIWOS geldt hetzelfde. Historisch is dat alleszins begrijpelijk. De linten met haar zeer versnipperde eigendomsverhoudingen waren al een feit toen de Tilburgse woningcorporaties vanaf zeg 1920 de achter en tussen de linten gelegen terreinen met volkswoningbouw zoals dat toen nog heette, gingen bezetten.

Ons materiele belang op de linten is dus zeer beperkt.

Ik vrees eerlijk gezegd dat dat in de nabije toekomst ook zo zal blijven.

Niet omdat wij niet zouden weten dat de woonconsument – vooral de één- en tweepersoonshuishoudens die inmiddels zo’n 80% van de ingeschreven woningzoekenden in Tilburg uitmaken – graag in het centrumstedelijke milieu woont. 
Wel omdat wij er vooralsnog niet van overtuigd zijn dat de linten een kwalitatief verantwoord woonmilieu kunnen bieden aan grote of grotere groepen van onze huurders. Ik denk dan bijvoorbeeld aan zaken als een rustig woongenot, bereikbaarheid en voldoende parkeerruimte.
Dan zijn er bovendien nog ‘ns de hoge kosten die gemaakt moeten worden om posities van enige omvang langs de linten te verwerven en daar de ontwikkeling van goede en betaalbare woningen vorm te geven. Ik spreek in die zin vanuit ervaring.

(Aan de behoefte aan centrumstedelijk wonen ……..)

Aan de behoefte aan centrumstedelijk wonen probeert WonenBreburg te voorzien door het creëren van nieuw woningaanbod in de zogeheten herstructureringswijken. In de wijk Groeseind-Hoefstraat-Pastorieklamp bijvoorbeeld.

En in die laatste zin zijn de linten ook voor ons opeens – zij het in indirecte zin - wel weer van groot belang. Namelijk daar waar het gaat om
verkeersontsluitingen van de geherstructureerde woongebieden en de voorzieningen (winkels, horeca) waarop onze bewoners zijn aangewezen.

Zo weet u ten minste waar ik sta.

De linten, onderdeel van het ontsluitingspatroon van de oude stad met z’n driehoekige pleinen verbonden door veelal flauw gebogen verbindingswegen, stammen in feite nog uit de tijd van de eerste ontginning van de gronden, inmiddels zo’n duizend jaar geleden. Die informatie acht ik hier in deze ruimte en zeker na de inleiding van Sjoerd Cusveller genoegzaam bekend.
In
Deze linten nu mogen zich de laatste jaren in een toenemende belangstelling verheugen.

Als je wat onderzoek en navraag doet naar het waarom van deze belangstelling, dan stuit je op een aantal redeneringen.

In willekeurige volgorde zijn dat:
• historiserende redeneringen: men spreekt dan over het geheugen c.q. de leesbaarheid van de stad;
• stedenbouwkundige redeneringen: de linten vormen de ‘dragers’ van de ruimtelijke structuur, zij zijn de kapstok voor de wijken en industriegebieden die ze ontsluiten (citaat uit de uitnodiging voor vanavond);
• architectonisch / morfologische redeneringen: de laatste jaren vinden er ingrepen aan de linten plaats die qua schaal, maat en materialisatie blijkbaar niet ieders instemming mogen wegdragen,
• redeneringen voortkomend uit belevingswaarde en stedelijk gevoel: de vaststelling dat de linten (nog?) plezierig veel verschillende functies in zich verenigen (verkeer en vervoer, wonen, bedrijvigheid, horeca).

Bij al deze redeneringen vallen mij twee zaken op.

In de eerste plaats dat ze er zonder uitzondering van uit gaan dat de historische linten van Tilburg ook de komende duizend jaar nog bestaansrecht hebben. Behoud en instandhouding is het parool, aan de existentiële vraag naar het toekomstige nut en derhalve de toekomstige functie(s) van de historische linten wordt voorbij gegaan.

(‘Form follows function …….)
‘Form follows function’ heette dat toch?

Mijn tweede verbaaspunt is dat klaarblijkelijk alleen of vooral architecten en stedenbouwkundigen zich in deze discussie lijken te mengen. Waar zijn de bewoners, waar is de middenstand, waar zijn de horeca-uitbaters? En waar de visie van het stadsbestuur die het algemeen belang heeft te dienen?

Dat gezegd hebbende dringen zich de opdrachten / doelstellingen die ik de workshops mee zou willen geven onmiddellijk op, te weten:

1. Breng de sterktes en zwaktes, alsook de kansen en bedreigingen van (het huidige functioneren van) de historische linten objectief en samenhangend in beeld. Betrek de huidige gebruikers van de linten en de bewoners van de aansluitende woonbuurten – of de hen vertegenwoordigende organen - hier nadrukkelijk bij.
2. Ontwikkel op basis hiervan modellen / scenario’s die:
- een duurzame ontwikkeling van de historische linten mogelijk maken: met andere woorden geef de linten een nieuwe betekenis en daarmee een nieuwe waarde;
- of, waar dit gebruikstechnisch en of economisch niet mogelijk blijkt: opper alternatieven.
Betrek daarbij ook de ontsluitingsopgaven voor de ‘achter- en tussengelegen’ woongebieden en de behoefte aan voorzieningen van de daar woonachtige mensen.
3. Formuleer op basis van (1) en (2) een beleidsmatig kader dat ter stimulering en sturing van de gewenste ontwikkelingsrichting dienst kan doen. In feite betreft het hier een advies of als u wilt een programma van eisen voor het gemeentebestuur.  

Als ik – en dat ter afsluiting van mijn bijdrage – alvast een duit in het zakje mag doen in de richting van dat gemeentebestuur, dan zou ik graag zien dat men meer oog krijgt voor het belang van kleinschalige winkelvoorzieningen voor de dagelijkse behoefte, voor de behoefte aan medische en paramedische voorzieningen langs de linten en voor de aanpak/ verwerving van verloederde panden.

Dank voor uw aandacht.
J.Dunnewijk
26-11-2006  
 
 
Paul van der Grinten

“Het is altijd hetzelfde, het is altijd wat anders.”
“Buffetten in het stedelijk meubilair.”

Aantal stellingen (verslag):
- Zijn die hoge gebouwen aan de linten wel zo hard nodig?
- Er woont aan de linten maar 5% van de bevolking!
- De lelijkheid van die gebouwen ligt voornamelijk aan de omvang. De gebouwen zijn gewoon te groot, te hoog, te laag en te breed in hun omgeving. Je kan in Tilburg bijna overal tot 12 meter hoog bouwen.
- Welstandszorg helpt wel, maar slechts marginaal. Het kost veel kruim en levert niet veel op. (8 verstandige regels uit Welstandsnota)
- Hoe hoger het gebouw… hoe mooier het moet zijn. (boven de 9 meter)
- De verdiepingshoogte van de begane grond moet 3,5 meter zijn. Daardoor andere bestemming mogelijk op begane grond.


Lezing Paul van der Grinten

Een lintje krijgen….
Ik word vandaag 60 jaar.

60 jaar geleden gold hier in Tilburg nog:

 “Ik moet kleiner gaan wonen want mijn gezin wordt groter…”

Tilburg stond dan ook vol kleine huizen, aan de herdgangen of linten. De armoede is voorbij, maar de linten met hun aaneenschakeling kleine huizen vormen het weefsel van deze stad.

Met de daling van de gemiddelde woningbezetting (in 50 jaar van 5 naar anderhalf)  liep ook de bevolking aan de linten erg terug. Daar moest dus iets bij, was de gedachte, en dat kan alleen maar er bovenop.
Nu is dat een helder idee, maar om hoeveel mensen zou dat gaan? Stel dat aan de linten nu nog maar 5% van de bevolking woont. Als je dat probeert te verdubbelen komt er maximaal 5% bij. Als het lukt. Maar waarschijnlijk lukt het maar half. Dus we hebben het over 2-3% als het mee zit. Omdat het nooit helemaal voor 100% tot 15 m hoog komt, ziet het er dan ongeveer uit zoals nu, maar dan iets heftiger. Willen we dat?

15 m als beleid.

In Tilburg kan je haast overal 15 m hoog bouwen. Dat zijn 5 lagen. Best veel. Ook veel opbrengst. Dus veel sloop en nieuwbouw van 15 m hoog.
In straatjes van 1 laag en een kap.

Veel van de huizen die gesloopt worden kunnen nog heel goed mee. Vaak zijn ze het aanzien meer dan waard. Niet zelden is hun schoonheid groter dan wat er voor terugkomt.
Ze maken plaats voor grote - soms lelijke dozen; in elk geval misplaatste dozen. Een beetje vierkante dozen. Met daaromheen veel parkeren. Vooral het formaat van de gebouwen maakt het moeilijk. Wij als welstand mogen daar niets over zeggen. We mogen het wel zeggen, maar dat helpt niets.
Wij mogen binnen dat formaat nog iets doen aan de verschijningsvorm. Kleur, materiaal, indeling van de gevel.

Wat zeggen wij dan?
De welstandsnota heeft het over

1. individuele karakter van het bouwplan is maatgevend boven relatie met omgeving

2. parcellering dan wel verticale architectonisch/stedenbouwkundige geleding van 6 tot 12m dan wel anderszins voortkomend uit de situatie

3. architectonische contrasten met buurpanden in gevelindeling, materiaalgebruik en detaillering

4. een vlakke en massieve voorgevelopbouw, eventueel met erkerachtige uitbouwen, en – voor zover nodig – grotendeels inpandige loggia’s

5. een architectonische geveluitwerking waarbij de verticale lijnen overheersen en de hoofdbouwmassa vanuit het maaiveld begint (dus geen verdiepinghoge plint o.i.d.)

6. zorgvuldige architectonische uitwerking van hoogtesprongen met belendingen door afwijkende materialisering in de bovenste bouwla(a)g(en) en/of verspringingen in de gebouwcontouren

7. in het zicht komende kopgevels boven de belendingen, ook als zgn “wachtende” gevel, grafisch en/of plastisch verlevendigen (suggestie: trompel’oeil-schilderingen van bijvoorbeeld wolkenluchten)

8. adequaat verzorgd maaiveldniveau: bij voorkeur publieksfuncties, bij woningen voordeuren, geenbergingen, geen dichte muren of hekken, geen half opgetilde parkeerkelders, tenzij vanuit de stedelijke betekenis van de omgeving daartegen geen
bezwaar bestaat.

Verstandige regels.
Maar meestal is het onbegonnen werk want de doos is als volume storend, wat er ook voor uitwerking aan wordt gegeven. En dan: meestal zijn de opdrachtgevers niet te kenschetsen als : bevlogen of ambitieus, en evenmin barsten de architecten van het talent….nog geen muurschildering gezien, bijvoorbeeld.
Hoewel…
Ook als dat talent wel wordt aangeboord, hoeft het toch niet altijd te leiden tot een geweldig resultaat. Soms wel, maar lang niet altijd. Het belangrijkste knelpunt blijft dan gewoon de omvang, het volume, de schaal.

Het volume ligt vast in het bestemmingsplan of anders wel de bouwverordening. Het volume, en de plaats is het domein van stedebouw. En daarover wordt niet onafhankelijk geadviseerd in Tilburg. Wel in steden als Amsterdam, Rotteram, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Breda, Den Bosch, maar niet in de 6e stad van Nederland…Tilburg.

Er is een nieuw beleid bedacht dat de naam heeft “plansystematiek”. Het komt er op neer dat je niet véél hoger mag bouwen dan de buurman. 15 m hoog kan alleen als buurman al 12m is, 12 meter kan naast 9 meter, enz.  Die plansystematiek is niet gestold in bestemmingsplannen, en vervangt ook niet de bouwverordening. Kortom: waar het niet echt geregeld is, geldt het de facto gewoon niet. Alleen bij art. 19 en bij vrijstellingen kan deze systematiek worden toegepast.

Maar in die gevallen zou je ook alles gewoon laag kunnen laten.
Tenzij er zich zo’n excellent ontwerp voordoet dat je voor die kwaliteit een uitzondering maakt.
Het resultaat van een dergelijke benadering is dat er in de hoogte alleen heel mooie gebouwen bijkomen.

Nog een heel ander – praktisch – idee is het volgende: (het is niet van mij maar van Wim Timmermans)
De 15 m hoogtegrens kan je niet straffeloos verlagen: bestuurlijk en financiëel ligt dat niet eenvoudig. Maar het is wel billijk om de eerste laag op minimaal 3,5 m vrije hoogte te stellen. Alleen op die manier immers kan de stad zich vrij ontwikkelen, kunnen er winkels, kleine bedrijven en allerlei diensten voorzieningen zich vestigen en geeft dit de straat een levendig en dynamisch karakter. En waar die winkels niet nodig zijn is een begane grond van 3,5 m hoogte een kwaliteit! Ook goed voor de linten!

Zou je dat doen dan kan er binnen 15 m hoogte niet met 5 maar hooguit 4 ½ laag worden gebouwd. De rekensom wordt dan anders. Er worden dan minder grote plannen gemaakt. Goede huizen blijven staan want sloop ervan loont niet. En het resultaat is spannender: mooie verdiepingshoogten aan de straat, meer inzet waar er vervangen wordt dus ook minder bouwen met de hand-op-de-knip.

Ik wens Tilburg met deze discussie proficiat want hiermee komt een moeilijk probleem op deskundige tafels.


Stellingen

1. Is het wel zo hard nodig die hoge gebouwen aan de linten?
2. De lelijkheid van die gebouwen ligt voornamelijk aan de omvang. De gebouwen zijn gewoon te groot, te hoog te lang en te breed – in hun omgeving.
3. Welstandszorg helpt wel, maar slechts marginaal. Het kost veel kruim en levert niet veel op.
4. Het is gek dat in Tilburg geen extern advies over stedebouw bestaat.
5. De verdiepingshoogte van de begane grond moet naar 3,5 m.

 

Vragen / discussie over de doelstellingen o.l.v. J. Westra

J. Westra vraagt om een eerste reactie van de diverse geledingen.

Studenten:  Ten aanzien van het winkelbeleid: uithangborden zijn erg beeldbepalend. De vraag is of men die wel of niet moet toestaan?

Architecten:  Architectonisch ontwerp is vaak het maximaal haalbare binnen de stedenbouwkundige randvoorwaarden; dat is de opgave!

Stedenbouwkundigen: geen reactie!

Projectontwikkelaars: Lintstructuren zijn heel bijzonder, maar de architectuur aan de linten is erg matig. De uitdaging zit in betere architectuur, minder volume, meer woonkwaliteit!
Voorzitter: “Dat klinkt erg commercieel….”

Maatschappelijk relevante partij: Ondernemers aan de oude linten zijn niet uitgenodigd voor de bijeenkomst, terwijl het onderwerp ook bij hen leeft. De praktijk van de linten staat ver af van de theoretische benadering. Het zijn gebieden met veel klachten van bewoners. Er is veel leegstand en andere problematiek. Haar pleidooi: laten we het reëel houden met elkaar!

Discussie over de doelstellingen / reacties:

L. Houët:
De verhalen sloten goed op elkaar aan, geen tegenstrijdigheden. De uitwerking, de manier van oplossen, kan verschillend zijn, is inherent aan pluriformiteit van onze maatschappij.
Linten moeten met zorg behandeld worden. Formuleren van zorg, welke instrumenten en welke creativiteit zet je daarvoor in. Aan foto’s is te zien dat vooral met economische motieven ontwikkeld wordt. De liefde voor de opgave is vaak afwezig. Die moeten we weer terugvinden. In het verleden, begin negentiende eeuw tot aan 1950, is vanuit een grote matigheid omgegaan met de linten, met hier en daar uitzonderingen. Middelmatigheid moet geaccepteerd worden, maar wel zorg en liefde uitdrukken.

S. Cusveller:
Het gaat niet enkel om architectuur, het zijn meer de intrinsieke waarden die we moeten koesteren. Wat je nu als waarde formuleert kan over een aantal jaren weer veranderen. Het is vooral de dynamiek. Je kan niet praten over dé waarden van de lint.
Wat je formuleert als waarde geldt voor dit moment. Dat maakt het ingewikkelder. Per project moet geformuleerd worden wat de waarde is met betrekking tot de mazen.
Het gaat goed met de linten, maar slecht met de architectuur. Waarom? Er is veel gedoe. Mensen willen graag laten zien dat ze architect zijn….. (hij is zelf stedenbouwer)

Een architect is het met Cusveller eens. Er is meer middelmaat nodig, niet alleen maar mooie prestigegebouwen. Er is ook meer hoogte nodig, bijvoorbeeld bepaalde linten aaneengeschakeld 5 lagen hoog ontwikkelen, zodat je meer dezelfde linten terugkrijgt. Die ontwikkeling is een kwestie van tijd. “Wachtende gevels is geen probleem.” Dus: meer middelmaat, minder architectuur!

P. van der Grinten:
De versnelling is gekomen in de schaal en het tempo. Schaal en tempo zijn de laatste 30 jaren veranderd. Het verschil tussen dynamiek zit in de schaal. Vroeger werd maar één pand breed veranderd. Nu worden veel panden tegelijk opgekocht, dus worden ingrepen veel grootschaliger. Er is sprake van schaalvergroting. Dit is thans ingegeven door regelgeving en door de marktbehoefte. Vroeger ontbraken bestemmingsplannen, en speculatieve invulling van stukjes lint. Er werd veelal in aantallen woningen gedacht.

J. Dunnewijk
Overheid moet regisserend optreden, sturend en vanuit een visie, en kijkend naar functionaliteiten van linten. Er kan veel meer gebeuren. Appartementen doen het niet zo goed, hebben erg hoge omloopsnelheid. Er is een behoefte aan voorzieningen; ondernemers moeten bekijken of daar draagvlak voor is. Bijvoorbeeld een groep ondernemers een startsubsidie geven, en binnen 2 jaar “break-even” draaien. Op zoek gaan naar economisch verantwoorde activiteiten.

Toon (?): Vroeger kon alles, en was de stedenbouwkundige niet thuis. Linten zijn vanuit laissez faire, laissez passer ontstaan en nu zijn er allerlei dwingende voorschriften. Er zijn nu allemaal “kastelenplannetjes” voor de linten, waarbij wordt aangesloten op een pand dat bijna in elkaar stort. Het is vreemd om nu met hoogteregels te beginnen, waarbij gekeken wordt naar hoogte buurpanden. Alle linten zijn verschillend, dus per lint bekijken wat echt de kwaliteit is. De gemeente zou dat moeten evalueren. Kortom, accepteer verschillen maar wel een consequente lijn in hoogte regisseren. Pleidooi voor eén supervisor per lint!

Vraag: wat vind je van de breedte?
Toon: Wel rekening houden met perceelbreedte, dus karakteristiek van straat goed analyseren, ook combinaties oud en nieuw.

Antoinette: Amsterdamse school, Bredaseweg, een van de weinige oude invalswegen, echt een verkeersstraat; daar anders mee om gaan in de breedte dan bijvoorbeeld Koestraat. Waar wil Tilburg eigenlijk naar toe? Stad of dorp? Panden van 5 verdiepingen hoog, als die op zichzelf staan zijn ze vreemd, want het valt op in het straatbeeld, maar niet meer als over een tijd het aaneengeschakeld is. Het is een probleem van het moment.

Steven:  Oneens met laissez faire, zekere moraliteit en vakmanschap is nodig, maar door veel regelgeving zijn we de moraliteit kwijt. Daar waar regels het toe staan is alles mogelijk, dat is het uitgangspunt.

Een aanwezige (architect?): Bij zelf opstellen bouwplan was in het zuiden (België) gewoon om toestemming te vragen aan buren. Niet zo gek, want met bouwen neem je het licht van buren weg, dus vanuit een beetje sociaal voelendheid. Buren met diepe tuin vonden het geen probleem, met kleine tuin aan andere kant daarentegen wel. Zijns inziens past middelmaat niet, iedereen moet voor eigen kleur durven uitkomen. Verhaal moet overtuigend en duidelijk zijn, dan pas kan in discussie worden getreden en een gezamenlijk straatbeeld worden gecreëerd.

Architect Van Linzen: De discussie gaat over linten, niet over architectuur. Bij kleine huisjes op linten, bijvoorbeeld in de Molenstraat, waren geen architecten betrokken, deze zijn met liefde en vakmanschap door aannemers gebouwd. 3,5 meter begane grond is prima, dan krijg je diversiteit. De bouwhoogte moet dan worden aangepast. De oude linten zijn vanzelf mooi geworden. Opdrachtgevers van toen zijn nu niet aanwezig.

Voorzitter: Waarom geen 3d envelop over de linten heen, waarbinnen alles mag gebeuren?

P. van der Grinten:  3d envelop is er al en er is ook regelgeving.

L. Houët:  Er zijn doelstellingen voor uitstraling en functioneren en daar heb je regels voor nodig. Gelooft niet in één supervisor per lint. De middelmaat is een maatschappelijk gegeven. Er is nou eenmaal maar een beperkt aantal toppers architecten, en een groot gedeelte middelmaat. Op de een of andere manier moet dat zijn plek krijgen, dus zorgen dat daar een systeem voor is om het in goede banen te leiden.

P. van der Grinten: Voor de duidelijkheid, het idee met de envelop is er nu, het is een snijkoek van 15 bij 15. Je kunt een aantal ingrepen doen, zoals muren op monumentenlijst.

Ontwikkelaar:  De linten ervaar je als je er doorheen beweegt. Nu niet teveel invullen, laat de workshops aan het werk gaan en zoek de extremen op. Je kunt ontwerpen op linten. Linten zijn aaneenschakeling van lelijke huisjes, maar daar zijn we aan gewend geraakt. Tilburg kan het zich als stad permitteren dat je heel erg kunt verschillen van de buren. We moeten het niet zozeer in esthetiek zoeken.  Niet middelmaat, maar vrij extreem naast elkaar laten bestaan.

Vraag: Hoever gaan we vooruit kijken, 5, 10 of 15 jaar?

Een bouwkundige (?):  In 2001 is nota Wonen uitgebracht, in 2005 zou 30% van de woningen door particulieren gebouwd moeten worden. In Tilburg is een pilotproject - gestart in 2001 - (pilot Harmonieterrein/Stationstraat) waarvan 2 bewoners eigen huis hebben gebouwd. Er wordt dus nog veel te weinig in particulier opdrachtgeverschap gebouwd. Regelgeving moet simpeler. Oppert het idee van bouwbureaus zoals in de jaren van stadsvernieuwing; deze  hielpen bewoners met particuliere woningbouw. Dat is het instrumentarium.

M. Buursink: Naast de vorm van linten graag ook discussie over de functie van linten. Het zijn de belangrijkste toevoerwegen, de poorten naar het centrum en cityring. Het is meer dan alleen verblijfsklimaat, maar ook doorgangsweg.

Cusveller vraagt in opperste verwarring aan de voorzitter: wat is nu het probleem van de linten?
De voorzitter: Tilburg weet niet goed wat ze moet met de linten. We zitten nu als team bij elkaar, maar veel partijen die erover gaan zijn nog niet aanwezig. Op initiatief van Cast worden op 6 locaties workshops georganiseerd om te bezien wat de potenties van de linten kunnen zijn. Misschien kunnen er ook een paar linten worden afgebroken om er een fatsoenlijke boulevard te maken…


Hierna zijn de 5 groepen voor de workshops geformeerd. De Architectenwerkgroep, Luijten- Smeulders Archtecten, AS Architecten, JMW Architecten en Van Asten –Doomen Architecten hebben aangeboden om als gastheer op te treden. Aan de ateliers nemen minimaal deel 2 architecten en 2 studenten per groep aangevuld met andere relevante partijen.

 


Tilburg, 6 december 2006


Spronk Management Support, LS

logoarea